Nieuws | Schaap-Geit

Meer nodig tegen CAE-besmetting bij geiten

Steeds meer geitenbedrijven raken hun CAE-vrije status kwijt. Daarnaast zijn er door de intensieve contactstructuren binnen de geitenhouderij nog verschillende contactbedrijven die een verhoogd risico lopen om die status kwijt te raken. “Het loopt uit de hand. We vertrouwen op een status die dat vertrouwen niet waard blijkt te zijn”, stelt dierenarts Shaula Bouwman in vakblad Geitenhouderij.
In 1982 werd in Nederland onder leiding van de huidige Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) een CAE-bestrijdingsprogramma opgezet. Hiermee was Nederland wereldwijd het eerste land dat aan een structurele bestrijding van deze lastige infectie deed. CAE is hierdoor in Nederland enorm teruggedrongen.
Voor het certificeringsonderzoek van zowel de GD als de NSFO wordt een steekproef van de veestapel getapt. Deze monsters worden daarna gepoold, wat inhoudt dat er meerdere monsters bij elkaar gevoegd worden alvorens ze middels een ELISA-test worden onderzocht. Voor deze test moet er in het lichaam al een afweer tegen het virus plaats hebben gevonden. Deze test is dus afhankelijk van de activiteit van het virus en de afweerreactie van de geit.

banner

Sluipmoordenaar

“Doordat het virus zich kan verstoppen en er gepoold onderzoek wordt gedaan op een steekproef van het koppel, is CAE moeilijk aantoonbaar en is het mogelijk dat een milde infectie op het bedrijf onder de radar blijft”, denkt Shaula. Daarom noemt zij CAE ook wel een sluipmoordenaar. “Als we niks doen, houden we geen enkel vrij bedrijf over. Vrij zijn is overigens geen noodzaak, zie het als een soort verzekering waardoor het management gemakkelijker wordt. Verder zie je, vroeg of laat, meer uitval en het ‘glazen plafond’ bij CAE-bedrijven; je ziet niks aan de geiten behalve een achterblijvende productie.”

Tankmelkonderzoek

Een aanvulling op het huidige systeem zou tankmelkonderzoek kunnen zijn. Sinds enkele jaren wordt daar in samenwerking met Veterinair Laboratorium Gelderland in Epe (VLG) mee geëxperimenteerd. Naar aanleiding van verhogingen in de tank zijn er op verschillende bedrijven bij steekproeven positieve dieren uitgekomen. Wanneer dit met enige regelmaat gedaan wordt, kan een besmetting eerder gesignaleerd worden. “Vooral veranderingen die je dan opmerkt, zijn indicatief”, zegt Shaula. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de waarde van een tankmelkonderzoek enkel iets zegt over de concentratie antilichamen in het monster, niet direct iets over het aantal uitscheiders of over het aantal positieve dieren. Daarnaast zit er een factor tijd tussen een stijging van antilichamen in het bloed en de melk, waarbij het bloed altijd eerst zal stijgen. “Wanneer er twijfel over de status ontstaat bij tankmelkonderzoek moet er altijd een steekproef getapt worden om een representatief beeld te krijgen van wat er daadwerkelijk op een bedrijf speelt”, raadt Shaula aan.

Dieren individueel onderzocht

Voor een vroege opsporing van positieve dieren is het daarnaast van belang dat de dieren individueel onderzocht worden. Het mooiste is het wanneer het laboratorium inzicht geeft in de ruwe waardes. Bij elke test wordt gebruik gemaakt van afkapwaardes, een grens waarboven de test positief wordt genoemd. Uit analyse van veel monsters is gebleken dat dieren die verhoogd zijn, maar nog onder de afkapwaarde zitten, later doorstijgen en alsnog positief worden. “Een uitslag is nooit zwart-wit, maar een gradueel proces en dus is een afkap verraderlijk”, stelt Shaula.
CAE – Dierziekten-ABC

Veehouder & Veearts volledige toegang

Nieuwsbrief Wilt u volledige toegang tot de website en het magazine thuis ontvangen? Neem dan contact op met uw dierenarts.